Foetale anemie

bloedDe foetus kan bloedarmoede (anemie) krijgen door teveel afbraak, of te weinig aanmaak van rode bloedcellen. Bekende oorzaken zijn Rhesusziekte (bloedgroep-immunisatie), Kell-immunisatie en Vijfde ziekte (Parvovirus B19 infectie). Door ernstige bloedarmoede kan het zuurstoftransport in gevaar komen. Dit kan hartfalen, vocht vasthouden (hydrops) en overlijden veroorzaken.

Bloedarmoede van het ongeboren kind is een ernstige, soms zelfs levensbedreigende ziekte. Als de bloedarmoede tijdig ontdekt wordt, kan het gelukkig goed behandeld worden met bloedtransfusies terwijl het kind zich nog in de baarmoeder bevindt. Dit wordt intra-uteriene (bloed) transfusie (IUT) genoemd. 

Controles

Gespecialiseerde verpleegkundigen, echoscopisten en gynaecologen zien in teamverband alle zwangeren met bloedgroep-immunisatie. Hiervoor is een speciaal spreekuur ingericht.  Elk ongeboren kind met een risico op bloedarmoede wordt dan zorgvuldig onderzocht. Bij elk bezoek wordt opnieuw beoordeeld of aanvullend onderzoek, een bloedtransfusie of bevalling noodzakelijk is.

Bij uw eerste bezoek zal de informatie die de verwijzend verloskundige, huisarts of gynaecoloog heeft meegegeven of opgestuurd, met u worden doorgenomen. Vaak vragen we nog aanvullende gegevens. In de meeste gevallen zal er bij het eerste consult bloed van u en uw partner worden afgenomen voor nadere typering van de bloedgroep. Bij een eventuele behandeling voor uw kind is het van belang dat de gegevens van u beiden bekend zijn. 

Speciale onderzoeken die ons kunnen helpen de ernst van de ziekte bij uw kind te voorspellen zijn:

  • Bloedonderzoek
  • Echoscopie

Bloedonderzoek

Bloedgroep van ongeboren kind

Welke bloedgroep uw kind heeft, hangt af van uw bloedgroep en die van uw partner. Hebt u bijvoorbeeld A en hij O, dan krijgt uw kind bloedgroep A of O. Maar ook als u beiden A hebt, kan de bloedgroep van uw kind A of O zijn.

Antistoffen zijn afweerstoffen die het lichaam beschermen. Ze worden gemaakt tegen alles wat het lichaam niet herkent en dus ‘vreemd’ vindt. Er bestaan veel soorten antistoffen, waaronder antistoffen tegen bloedgroepen. Als u bloedgroep O hebt, hebt u automatisch antistoffen tegen bloedgroep A en B; hebt u bloedgroep A, dan hebt u antistoffen tegen bloedgroep B; en hebt u bloedgroep B, dan hebt u ze tegen bloedgroep A. Alleen vrouwen die bloedgroep AB hebben, hebben geen antistoffen tegen bloedgroepen. Omdat bijna alle mensen van nature deze antistoffen hebben, worden ze regulaire antistoffen genoemd

De antistoffen die u hebt tegen A en/of B, kunnen via de placenta (moederkoek) naar uw kind gaan. Tijdens de zwangerschap kunnen ze geen kwaad, welke bloedgroep uw kind ook heeft. Daarom wordt de bloedgroep van de vader van uw kind ook niet als routine bepaald tijdens de zwangerschap. Regulaire antistoffen zijn een gebruikelijke oorzaak voor het geel zien van een kind enkele dagen na de geboorte. Deze situatie geldt ook voor de rhesus factor en irregulaire antistoffen.

Via het laboratorium in Amsterdam (Sanquin) kan uit het bloed van de zwangere worden bepaald wat de bloedgroep van de foetus is. Dit onderzoek is al vroeg in de zwangerschap mogelijk.

In het geval van zeldzame bloedgroepen kan het nodig zijn om bloed van de aanstaande vader af te nemen of vruchtwateronderzoek te doen. 

ADCC test

Om de activiteit van de antistoffen te onderzoeken, en daarmee de kans dat zij bloedarmoede veroorzaken, is bloedonderzoek bij u noodzakelijk. Dit bloedonderzoek, een ADCC-test, voorspelt hoe groot de kans is dat de antistoffen het bloed van uw kind afbreken.

Geeft deze test tegen het einde van een eerste zwangerschap een kleine kans op bloedafbraak aan, dan is regelmatige herhaling van de ADCC-test vaak voldoende. Bij een lage uitslag van deze test tot aan het einde van de zwangerschap is de kans op bloedarmoede van het kind zeer klein. Toont de ADCC-test in het begin van een zwangerschap al een grote kans op bloedarmoede aan, dan is meer onderzoek noodzakelijk. 

Elke twee weken wordt bij de zwangere bloed afgenomen voor de ADCC-test. Het laboratorium in Amsterdam bepaalt hiermee hoe ‘agressief’ de antistoffen kunnen zijn. Hoe hoger het percentage, hoe meer kans dat uw kind bloedarmoede ontwikkelt. De hoogst mogelijke uitslag is ‘meer dan 80%’. 

Als sprake is van rhesus D-antistoffen, de meest voorkomende vorm, betekent een ADCC-test kleiner dan 50% dat de kans op ernstige bloedarmoede zo klein is dat er geen reden is om alle controles in het LUMC te doen. Bij andere antistoffen zoals Kell, c of Fya (Duffy) is de kans op bloedarmoede bij het kind al aanwezig vanaf ADCC-waarden boven de 15-20%. 

Als u bij de verloskundige onder controle bent, en u bent niet bij een gynaecoloog in uw regio bekend, dan zullen de verdere controles van de zwangerschap in het LUMC plaatsvinden. Het is ook mogelijk dat een gynaecoloog bij u in de regio gevraagd wordt de controles van de zwangerschap over te nemen van de verloskundige.

Als de waarde van de ADCC hoger is dan 50% zullen de controles van de zwangerschap, eventueel afwisselend met uw eigen gynaecoloog, in het LUMC plaatsvinden.
Als de ADCC-test twee maal de maximale waarde van ‘meer dan 80%’ aangeeft hoeft het bloedonderzoek niet meer herhaald te worden.

Echo onderzoek

De echoscopist beoordeelt de beweeglijkheid van uw kind, de hoeveelheid vruchtwater, en verricht een aantal metingen waarmee geprobeerd wordt te voorspellen of uw kind wel of geen bloedarmoede heeft. Deze metingen bestaan o.a. uit het opmeten van de grootte van de lever, de milt en het hart. Lever en milt zijn betrokken bij het aanmaken van rode bloedcellen. Als er extra rode bloedcellen gemaakt worden zullen de lever en milt groter zijn dan normaal. Ook het hartje van een kind met bloedarmoede is vergroot omdat het extra hard moet werken. Na de geboorte krijgen lever, milt en hart weer hun normale grootte terug.

Ook worden tijdens het echo-onderzoek bloedstroomsnelheden bij uw kind gemeten, het Doppler onderzoek (zie afbeelding). Bij bloedarmoede wordt het bloed minder stroperig en gaat daardoor sneller stromen. De bloedstroomsnelheid wordt gemeten in een slagader in het hoofdje en in de leverader.

Als het kind veel vocht vasthoudt dan is vrijwel zeker sprake van ernstige bloedarmoede bij het kind. Vocht vasthouden (hydrops) is een teken van ernstige ziekte. Met de frequente controles proberen we bloedarmoede te ontdekken, en een transfusie te geven, voordat het kind vocht gaat vasthouden.

Behandeling foetale anemie

  • Navelstrengpunctie met aansluitend bloedtransfusie
  • Vroegtijdige geboorte voor bloedtransfusie bij de pasgeborene
  • Fototherapie (‘onder de lamp’) bij geelzucht na de geboorte
  • Wisseltransfusie na de geboorte

Meer informatie over de behandeling van foetale anemie vindt u in het onderdeel 'Intra uteriene transfusie (IUT)' onder Behandelingen. 

De bevalling

Als de baby vóór de geboorte bloedtransfusies heeft gehad, wordt geadviseerd de bevalling in het LUMC te laten plaatsvinden. Na de bevalling zal uw kind opgenomen worden op de afdeling Neonatologie ter observatie. De belangrijkste problemen die zich in de eerste dagen kunnen voordoen zijn bloedarmoede en ophoping van gele kleurstof (hyperbilirubinemie). De behandeling kan bestaan uit bloedtransfusies en lichttherapie (onder de lamp).

Als de situatie stabiel is zal uw kind zo snel mogelijk naar een behandelcentrum in de buurt van uw woonplaats overgeplaatst worden. U kunt het best rekening houden met een opnameduur van uw kind van 5-7 dagen, korter of langer is echter ook mogelijk. U kunt als moeder meestal niet langer dan 48 uur op de kraamafdeling opgenomen blijven, tenzij dit voor u zelf nodig is, zoals na een keizersnede. Verblijf in het Ronald McDonald huis vlak bij het ziekenhuis is indien gewenst vaak wel mogelijk.

In de eerste 6 tot 8 weken na de geboorte kan opnieuw bloedarmoede ontstaan waarvoor een of meer transfusies nodig kunnen zijn.