patiënten

Voor patiëntgerichte informatie over foetale aandoeningen, behandelingen en lopende onderzoeken klikt u hier.

  zorgverleners

Voor specifieke medische informatie over foetale aandoeningen, therapie en lopende studies klikt u hier.

Monoamniotische tweelingen

tweelingen

Ongeveer 1-2% van alle zwangerschappen betreft een gemelli. Hiervan is circa 65% dizygoot en 35% monozygoot. Van de monozygote zwangerschappen is 30% dichoriaal diamniotisch, 69% monochoriaal diamniotisch en 1-2% monochoriaal monoamniotisch. 

Wanneer de splitsing nog later dan 12 dagen plaatsvindt is deze vaak niet meer volledig en kan een Siamese tweeling ontstaan.

Het onderscheid in chorioniciteit en amnioniciteit is afhankelijk van het moment van splitsing. Wanneer de splitsing tussen de 8-12 dagen na bevruchting plaatsvindt ontstaat een monoamniotische (MA) zwangerschap.

Incidentie: 1 op 10.000 zwangerschappen (1-5% van de monozygote zwangerschappen).

Ondanks het feit dat dit een zeldzame groep zwangeren betreft is kennis hierover belangrijk omdat deze zwangerschappen geassocieerd zijn met hoog risico op perinatale morbiditeit en mortaliteit.

Diagnostiek

Echografisch onderzoek in het 1e trimester is onontbeerlijk voor het vaststellen van chorioniciteit en amnioniciteit.Bewijzend voor MA:

Prenataal:

  • 1 dooierzak met 2 fetale polen voor AD 8 wkn
  • Ideaal: echo 8-10 weken

Postnataal:

  • Zelfde geslacht, genetisch identiek
  • 1 placenta (niet gefuseerd)
  • Geen tussenschot/vliezen tussen kinderen

Pseudomonoamniotische tweeling: Deze term wordt gebruikt voor diamniotische gemelli graviditeit waarbij het tussenschot spontaan is gescheurd. Dit voorkomen na amniocentese of intrauteriene behandeling, maar ook spontaan. Het complicatierisico is gelijk aan ‘van oorsprong’ monoamniotische gemelli.

Derhalve wordt bij diamniotische gemelli geadviseerd ook in het 2e en 3e trimester goed naar het tussenschot te kijken. 

Complicaties

Navelstrengpathologie

Knopen in de navelstrengen en verstrengeling kunnen tijdens de zwangerschap en rondom de geboorte tot problemen leiden. De incidentie wordt geschat op 90-100%. Sinds het gebruik van Color Doppler en 3D echo worden knopen antenataal beter gedetecteerd. Verschillende studies hebben gekeken naar de risico’s, met name op intra-uteriene sterfte, als gevolg van navelstrengpathologie. Literatuur is niet eenduidig omdat er sprake is van onderrapportage (wel of geen knopen in de navelstreng) en vaak congenitale (lethale) afwijkingen niet worden ge-excludeerd. (Rossi et al. 2013, Bhide 2013)

Er zijn studies die menen dat het mortaliteitsrisico van structureel normale monoamniotische tweelingen bij benadering gelijk is aan diamniotische tweelingen. (Dias 2011) Gezien het huidige beleid, waarbij de MA zwangerschap tussen de 32 en 34 weken ter voorkoming van navelstrengpathologie wordt getermineerd, is er wel een verhoogd risico op morbiditeit ten gevolge van prematuriteit ten opzichte van diamniotische zwangerschappen waarbij tot 37 weken wordt gewacht.

Transfusie stoornissen

Analyse van beschikbare literatuur van de laatste 20 jaar beschrijft een lagere incidentie van TTS bij monoamnioten (6%) vergeleken met diamniotische zwangerschappen (10-15%). (Baxi et al. 2010) Placenta studies wijzen uit dat bij monoamnioten vrijwel altijd arterio-arteriele verbindingen bestaan die mogelijk een beschermd effect kunnen hebben. ( Hack et al. 2009, de Villiers et al. 2012, Umur et al. 2003)

Desondanks is frequent echoscopisch onderzoek geadviseerd. Gezien het ontbreken van de het tussenschot, en daardoor niet kunnen meten van vruchtwatercompartimenten, wordt de diagnose TTS vaak later vastgesteld.

Twin Reversed Arterial Perfusion (TRAP) komt vaker voor bij monoamnioten.

Congenitale afwijkigen

Congenitale afwijkingen komen frequenter voor bij monoamniotische zwangerschappen. Enkele studies beschrijven een risico op ernstige afwijkingen van 28% versus 6% in diamniotische zwangerschappen. (Hack et al. 2009, Allen et al. 2009, Baxi et al. 2010)

Meest voorkomend zijn acardiacus, anencefalie en cardiale afwijkingen. Wel is vaak maar één van de kinderen aangedaan en is de meerderheid niet geassocieerd met chromosomale afwijkingen.

Vroeggeboorte

Zowel iatrogene als spontane vroeggeboorte komt vaker voor bij monoamniotische zwangerschappen. 

Behandeling

Op dit moment is er nog geen consensus over foetale monitoring en het optimale moment van de partus.

Gezien de complexiteit deze zwangerschap wordt geadviseerd de zorg voor MA in centrum met specifieke expertise te laten plaatsvinden.

Er bestaat geen consensus over foetale bewaking. Minimaal 1x per week Doppler onderzoek is vereist. Gemiddeld wordt in Nederland bij een amenorroeduur van 33 weken een sectio verricht. Overweeg hierbij longrijping.